Op het Europese vasteland bestaat al eeuwen een traditie van het eten van hertenvlees. Vroeger gebeurde dit bijna uitsluitend in het jachtseizoen, daarbuiten was het zelfs verboden dit vlees te verkopen. In ons land kon de vereniging van hertenhouders bekomen dat gekweekt hertenvlees het hele jaar door kan worden verhandeld.
Nieuw-Zeeland belangrijkste producent
Ons land telt momenteel vijftienhonderd hertenhouders. De overgrote meerderheid daarvan zijn liefhebbers die damherten houden als hobby. Er zijn echter ook een paar honderd houders van edelherten, die samen tussen de vijftienhonderd en tweeduizend hinden hebben. Minstens 80% hiervan geeft elk jaar een kalf; dit levert zo’n vijf- tot zeshonderd slachtdieren per jaar (vooral mannelijke dieren). Daarnaast worden er in de Ardennen jaarlijks nog enkele duizenden herten in het wild geschoten. Vooral dit laatste lijkt verbazingwekkend veel!
De vraag naar hertenvlees is echter zo groot en het binnenlandse aanbod zodanig onaangepast, dat in België jaarlijks nog 800 ton hertenvlees wordt ingevoerd uit derde landen, vooral uit Nieuw-Zeeland, Polen en de Schotse Hooglanden. In Nieuw-Zeeland worden er op grootschalige en extensief werkende farms ongeveer 1,6 miljoen herten gehouden. Van daaruit worden bastgeweien uitgevoerd naar onder andere Zuid -Korea en China om er geneesmiddelen van te maken. Europa -en dan vooral Duitsland – is Nieuw-Zeelands belangrijkste afzetmarkt voor het vlees.
Vanwaar komt het ‘boerderijhert’?
Begin jaren ’70 had men in Nieuw-Zeeland en ook in Schotland een probleem: er waren te veel wilde herten, met als gevolg veel schade aan de jonge bosaanplantingen. Het hertenbestand fors uitdunnen door massaal afschieten bood geen oplossing: dan kwam er te veel hertenvlees op de markt, waardoor de prijs instortte. Daarom werd het plan opgevat een gedeelte van de wilde herten levend te vangen en de dieren achter rasters te houden op boerderijen. In Nieuw- Zeeland gebeurde dat vangen vanuit helikopters, met netten of met het verdovingskarabijn. In Schotland bouwde men met planken omheinde paddocks. In de winter werden de wilde herten daar met bijvoedering geleidelijk aan gewoon gemaakt, tot op een dag de poort werd gesloten.
In die tijd konden nog grote kosten worden gemaakt voor het vangen van fokmateriaal. De tam gemaakte fokhinden brachten nadien immers een hogere prijs op dan vandaag het geval is.
‘Boom’ in hertenhouderij
Herten bleken een relatief makkelijk te houden groep van herkauwers, waarmee een vleestype kon worden geproduceerd waarnaar er op de markt vraag was. De agrarische hertenhouderij kende aanvankelijk een ‘boom’. Engeland en Schotland waren meer dan dertig jaar geleden zowat de Europese pioniers in het houden van ‘boerderij herten’ .
Op het Europese vasteland sprong men enkele jaren later op de trein van het boerderijhert. In 1985 werd in België de eerste commerciële hertenhouderij opgestart: Inzofalle te Nassogne. Bijna alle beschikbare fokdieren die naar West-Europa werden uitgevoerd waren toen nog van Britse oorsprong. De fokhinden werden verkocht aan prijzen die meerdere malen de vleeswaarde overstegen. Er werd gegoocheld met vermeende kwaliteiten van groei en afstamming en goedgelovige nieuwkomers betaalden op die manier veel leergeld. De ondersoorten van het edelhert in Europa worden namelijk groter naarmate men van Groot -Brittannië richting oosten gaat. Kleine dieren van’ ordinaire’Engelse of Schotse komaf werden dan ook gesleten als dragers van zeldzaam Hongaars, Karpatisch of Joegoslavisch bloed.
De West-Europese hertenhouders zijn daarna echter op zoek gegaan naar dekbokken uit het voormalige Oostblok en hebben die met de eigen dieren gekruist. Zo werden -en worden er nog steeds – kwaliteits – volle fokdieren ingevoerd uit, Hongarije, Polen, Bulgarije, Roemenië, het toenmalige Joegoslavië …
Intussen is de hertenhouderij in de meeste landen teruggevallen op haar werkelijke, commercieel normale proporties. Daarbij treden nog wel prijsschommelingen op, maar dan alleen ten gevolge van economische wetmatigheden. Nieuwkomers betalen nu hun fokmateriaal aan prijzen die correct zijn in verhouding tot de vleeswaarde van de dieren. .
In België
In eigen land blijft het aantal hertenhouders ongeveer constant, er is zelfs een lichte daling. Toch eigenaardig als men de afzet van hertenvlees alleen maar ziet toenemen. Typisch aan de hertenhouderij is dat de hertenhouder zelf moet werken aan zijn afzet . Hij moet zelf de productie commercialiseren en zelf de consument opzoeken om een lucratieve hertenhouderij in stand te houden.