Voeding

Voedingsbehoeften en voedermiddelen

Er werden reeds uitgebreide proeven gedaan om de voederbehoeften van herten te bepalen. Er werden onder andere studies verricht in individuele metabolismekisten, waardoor een grondslag werd gelegd voor de theoretische voedingsbehoeften van herten. De praktische voedingsleer deelt de herten in volgens het productiestadium waarin de dieren zich bevinden: zogende of drachtige hinden, gespeende kalveren, jaarlingen voor de fok, of jaarlingen voor de slacht, dekbokken. ..

Hertenkalveren

Hertenkalveren worden geboren in mei- juni: hun voeding bestaat dan eerst uit moedermelk. Onder boerderijomstandigheden wordt er meestal gespeend in het najaar. Het is gebleken dat gespeende hertenkalveren het op stalvoedering beter doen dan wanneer ze de hele winter bij de moeder blijven. Na het spenen stapt het kalf af van melkvoeding en krijgt het uitsluitend vast voer, hoofdzakelijk bestaande uit grasderivaten: hooi of voordroog, eventueel kuilmaïs en granen of korrels die uit granen of enkelvoudige voeders zijn samengesteld.

Om hertenkalveren te laten overwinteren heeft men de keuze tussen twee voederregimes. Men kan de dieren in de periode dat ze kunnen groeien de gelegenheid geven om maximaal te groeien, door hen zoveel mogelijk energie en eiwithoudende voedingsmiddelen te laten opnemen. Het kalf zal dan zijn volledig groeipotentieel ook in de winter en bij stalvoedering maximaal kunnen benutten. Men kan de kalveren echter ook zuinig voederen in de winter en proberen om in het voorjaar, met behulp van het dan goedkopere gras, een compensatoire groei te bereiken. De eerste weken verorberen ze zo’n 1,2 kg droge stof ad libitum. Men rekent daarbij zo’n 1 kg graan en 0,5 kg hooi. Na acht weken wordt deze samenstelling juist omgekeerd.

Een hertenhouder die veel fokmateriaal weet te verkopen en die dus grote, goedogende dieren wil tonen, of die voor zijn slachtdieren een goede kiloprijs weet te bedingen, kan er voordeel in zien om zware dieren te produceren. Hij geeft zijn gespeende kalveren dan best veel granen en eiwitconcentraten. Die zullen dan een deel van het aangeboden ruwvoer verdringen. Deze dieren zullen zo een voorsprong behalen op de extensiever gevoederde dieren.

Hinden

Hinden zijn drachtig vanaf het najaar tot de kalvingen mei-juni en moeten dan nauwelijks boven de onderhoudsbehoefte van lege hinden worden gevoederd. Te vet kweken is af te raden in verband met geboorteproblemen, te mager kweken kan aanleiding geven tot zwak geboren kalveren en zelfs tot verwerping. Goed ruwvoeder, eventueel vermeerderd met wat maïskuil of een weinig granen, volstaat. Een goed aanbod bestaat uit zo’n 3,5 à 4 kg droge stof per dier en per dag in de vorm van grassilo. Maïs is ook mogelijk, maar dan moet men strikt limiteren of de dieren worden te vet. Einde dracht staan de hinden al terug op de weide; het weidegras volstaat dan om hen te voorzien van alle nodige voedingsstoffen om hun kalf verder te laten uitgroeien.

Zogende hinden die op gras lopen, hebben aan dat gras voldoende en moet men niet bijvoederen. Is het gras te kort, dan kan men niet anders dan bijvoederen. In de sector gaat men er echter van uit dat herten zodanig extensief moeten worden gehouden, dat tot augustus de weide onder hun voeten moet volstaan om hen van voeding te voorzien. Vanaf dan wordt er meestal wel bij gevoederd.

Dekbokken

Dekbokken moeten ’s zomers een flinke vetreserve opbouwen. Tijdens de bronst eten ze nauwelijks, ze hebben dan andere beslommeringen. Daardoor kunnen ze op zes weken tijd tot 30% van hun lichaamsgewicht verliezen. Als ze dan niet over een flinke reserve beschikken, kunnen ze zelfs zo mager worden dat ze de volgende winter niet overleven. Met dat verschijnsel wordt men in Schotland geconfronteerd, waar de wilde bokken vóór de bronst onvoldoende energie en eiwit kunnen opnemen en er in barre winteromstandigheden onvoldoende voeder beschikbaar is.

Slachtdieren

Slachtdieren worden niet echt ‘vetgemest’, zoals we bij de andere nutsdieren kennen. We horen liever de uitdrukking ‘slachtrijp maken’. Hertenvlees is mager en heeft geen vet nodig om zijn smakelijkheid te krijgen. Mensen die geen dierlijke vetten mogen eten,kunnen dus wel hertenvlees eten, want daar zit bijna geen structureel vet in. Als herten echt worden ‘afgemest’, zijn de karkassen sterk belegd met uitwendig vet. Dit geeft geen enkele kwalitatieve meerwaarde, integendeel. Toch zal een hertenhouder die zijn karkassen via de tussenhandel per kilogram verkoopt en geen rechtstreekse contacten heeft met de consument, een hogere prijs krijgen, doordat zijn karkassen zwaarder zijn. Omdat de kwaliteit van de karkassen minder is, schaadt die productiewijze aan het imago van hertenvlees. Vakkundige kopers staan zelfs terughoudend tegenover het kopen van echt afgemeste’ herten.

Voedermiddelen

Herten behoren, zoals runderen en schapen, tot het type herkauwers met een grote verhouding voormaag tegenover maag. Daardoor kunnen ze grassen en andere voedingsmiddelen die rijk zijn aan ruwe celstof omzetten in energie voor het eigen functioneren. Geschikte voedermiddelen zijn dan ook dezelfde als die voor andere herkauwers: gras, hooi, graskuil, stro, maïskuil, granen, schroten, commerciële krachtvoeders.

Alleen hebben herten, vooral het edelhert, grotere hoeveelheden koper nodig, als onontbeerlijk bestanddeel van sommige enzymen die zorgen voor de aanmaak van lichaamsbestanddelen (vorming van de hemoglobine, haarkleur en -structuur.. .). Er werd vastgesteld dat de dagelijkse koperopname bij herten zo’n 40 mg moet bedragen per 100 kg lichaamsgewicht. Kopergebrek uit zich bij kalveren in manken door deficiënte gewrichten, bij hinden in een sway-back of zwaairug. Dit kan zich niet meer herstellen..