Voortplanting

Bronst en voortplanting

De hertensoorten die voor gebruik in de landbouw in aanmerking komen hebben hun bronstseizoen in het najaar, meestal in oktober. De sturing hiervan gebeurt door de daglichtlengte. Edelherten hebben dan om de achttien dagen een eisprong en laten zich alleen op die dag dekken. De hinden zijn dus drachtig in de winter en de kalveren worden in het late voorjaar geboren, na een dracht van zowat acht maanden. Buiten het bronstseizoen ligt bij de hinden de cyclus stil.

Hertenbokken

Vanaf nieuwjaar zijn de hertenbokken nauwelijks nog geïnteresseerd in voortplantingsactiviteiten en tijdens de groei van het bastgewei,’ s zomers, ontbreekt hen elke geslachtsdrift. In de natuur maken hinden en bokken dan afzonderlijke groepen.

Het naderen van de bronsttijd gaat vooral bij de hertenbokken gepaard met opvallende veranderingen. Hoofdzakelijk in de tweede helft van augustus voelt een hertenhouder de sfeer veranderen. De herten vegen het gewei en houden krachtmetingen. Ze gaan al eens burlen, blaffen of fluiten, afhankelijk van de soort waarover het gaat. Als de bronstgroepen zijn gemaakt, houdt de hertenbok zijn kudde hinden samen en tracht hij te voorkomen dat ze naar echte of vermeende concurrenten afdwalen. Ook mensen aanziet hij als belagers. Hoe tammer de bok is, des te gevaarlijker is hij tijdens de bronst. In de bronstperiode vervaagt immers de schrikrem voor de mens. Extreem op dit vlak is het gedrag van een met de fles grootgebrachte hertenbok, die in de bronst ronduit levensgevaarlijk wordt. Daarom bestaat voor met de fles gespeende mannelijke herten slechts weinig toekomst: ofwel castratie, ofwel de slacht.

Een hertenbok kan gerust vijftig tot zestig hinden dekken. Een jonge bok die dit jaar in juni wordt geboren kan volgend jaar in de bronst al dekken. Omdat zijn lichaam dan nog in volle groei is, geeft men hem dan slechts enkele hinden. In boerderijomstandigheden is het gangbaar dat bij vaderherten het gewei wordt weggezaagd zodra dit zijn bast heeft verloren. Dit jaarlijks karwei laten de meeste hertenhouders onder verdoving uitvoeren door hun dierenarts. Er bestaat ook een eenmalige chirurgische ingreep die de jaarlijkse teruggroei voorkomt. Die wordt echter zelden toegepast, hoewel hij weinig gevaar inhoudt en effectief en economisch verantwoord is.

Om geen late kalveren te hebben, verwijderen de meeste professionele hertenhouders de dekbok half november van de kudde. Een goede volwassen bok weegt 250 à 300 kg.

Hinden

Ook vrouwelijke herten zijn het jaar na hun geboorte al geslachtsrijp. Men bekomt betere drachtpercentages als men bij een kudde jonge hinden ook een jonge bok plaatst. Liefst worden jonge hinden ook in dezelfde kudde ondergebracht, apart van de volwassen dieren. Bij hinden ziet men weinig uitwendige tekenen van het bronstseizoen. Ook als ze staande bronst hebben, is dit nauwelijks merkbaar. Een dekking neemt men maar zelden waar. Toch leerde onderzoek met nachtkijkers dat elke hinde in haar bronst drie tot vijf keer wordt gedekt.

Dracht, kalven en kalveren

Onder boerderijomstandigheden worden de bokken meestal tussen begin november en begin december weggenomen. De dracht duurt acht maanden en verloopt meestal probleemloos.

Het kalfseizoen van de hertensoorten die in ons land als nutsdier op boerderijen worden gehouden valt van half mei tot eind juni, bij damherten wat later dan bij edelherten en sika’s. Geboorteproblemen zijn zeldzaam en principieel moet men er van uitgaan dat hinden alleen kalven en dat men geen kalveren met de hand wil kweken. Als men een hinde moet helpen is de kans immers groot dat ze haar kalf niet zal

erkennen.

Op grote groepen wordt gemiddeld met 1 % geboorteproblemen rekening gehouden. Die worden dan meestal veroorzaakt door liggingsanomalieën: een teruggeslagen poot of nek, of stuitligging bij achterste voorstelling. Bij hinden in te vette conditie komt soms een relatief te grote vrucht voor die dan niet kan passeren door het vervette bekken van de hinde.

Gedurende de hele zomer blijven de kalfjes bij hun moeder. Men kan vroeg (aan twee tot drie maanden, gewicht ongeveer 25 kg), middenlaat (eind oktober, begin november, gewicht ongeveer 40 kg) of laat (december, gewicht ongeveer 55 kg) spenen. Bij het vroege spenen worden begin september de kalfjes bij de hinden weggehaald, waardoor die wat sneller weer bronstig worden. Bovendien gaan ook de kalveren het door het vroeger spenen beter doen, omdat door het minder voedzame najaarsgras de hinden minder melk geven en men door het spenen het voederen beter in de hand heeft. Vanaf de dag van het spenen blijven de kalfjes opgestald. De hinden gaan dezelfde dag terug buiten om wat later opnieuw te worden gedekt.

Een Nieuw-Zeelandse studie toonde grote verschillen in kalf- en in speenpercentages tussen de bedrijven. Goede hertenbedrijven spenen 85% kalveren; slechte komen slechts tot 50%. .